Imkerij De Bijenhof 

 sinds 1980 

Bijenwoningen

Geschiedenis
De eerste kennismaking van de mens met de bijenwereld was ongetwijfeld die als honingjager. Men zocht en vond, misschien wel met behulp van het honingvogeltje, wilde bijennesten en beroofde die van hun zoete inhoud. In bepaalde streken gaat dat ook nu nog net zo. Natuurlijk kent de ervaren honingjager op den duur de ligging van een aantal nesten, zodat het zoeken veel eenvoudiger wordt. De waarde van de aanwezigheid van bijen werd vroeger veel duidelijker ingezien dan nu. De aanwezigheid van bijen ging samen met betere en grotere oogsten. Zo kreeg de zeidler (woudimker) meestal een aantal bomen toegewezen van de boseigenaar, waarin hij zijn bijen mocht huisvesten. Voorwaarde was dat hij een tevoren bepaald aantal volken moest aanhouden. Door in een boom een nestgelegenheid uit te hakken, die aan de achterzijde kon worden afgesloten met een plank, hoopte hij gunstige voorwaarden te hebben geschapen voor daadwerkelijke bewoning door bijen. Want bijen in den nieuwe woning brengen was een moeilijke zaak. Het kwam er eigenlijk op neer dat dit spontaan moest gebeuren. Erg arbeidsintensief was het bestaan van de zeidler niet. Naast het uithakken van nieuwe nestgelegenheid bleef het werk beperkt tot een halfjaarlijks controlebezoek, waarbij de honing in het voorjaar werd geoogst. Dan werd de linker helft van het nest rigoureus weggesneden en op die manier de honing gewonnen. De rechter helft bevatte voldoende voedsel en broed om het voortbestaan van het volk te verzekeren. Het volgende jaar was de rechter helft aan de beurt. Zo werd voor vernieuwing van de raten zorggedragen. Deze wijze van bijen houden heeft lang standgehouden.  Pas in 1930 zijn de meeste Europese zeidlers gestopt met het uitoefenen van zijn beroep. Uitzagen van een stuk door bijen bewoonde boomstam leidt tot het ontstaan van de klotzbeute. Deze heeft als voordeel dat de bijen bij huisgehouden kunnen worden. Ook wordt een begin van verzorging mogelijk. Omdat boomstammen tamelijk lastig te hanteren zijn heeft men gezocht naar een alternatief.
 
 In Egypte hield men zo'n 6000 jaar geleden bijen in buizen. Die werden gevormd uit de overal aanwezige klei langs de Nijl. De buizen waren ongeveer een meter lang en hadden op elk uiteinde een deksel. Eén van de deksels was voorzien van een vlieggat..Daarachter werd een broednest opgezet. De honing werd achter het broednest opgeslagen. Als de buis was volgebouwd werd de achterzijde geopend en werd de honing vervolgens in ronde raten gewonnen. Dan werden de deksels verwisseld, al of niet nadat de buis was omgedraaid. In het laatste geval moesten de bijen wennen aan de nieuwe ingang van hun woning, maar daarna werd opnieuw gebouwd en een broednest aangelegd op de plaats waar dat volgens de bijen hoort: achter het vlieggat. Het oude broed liep uit en de vrijkomende cellen werden opgevuld met honing, die dan als er plaatsgebrek ontstond Zo zorgde men voor vernieuwing van de raat.
Wilde men nog meer rendement halen uit het bijenbedrijf, dan laadde men de bijenbuizen op een schip. Ze werden dan haaks op het boord gestapeld. Overdag legde men het schip voor de wal, 's nachts werd er verder gevaren. Zo voer men de Nijl op en af, de dracht zoveel mogelijk benuttend. Het drachtverschil tussen Boven-Egypte en de Nijldelta bedraagt overigens ongeveer zes weken. Aan de diepgang van het schip kon de imker/schipper zien wanneer het tijd werd om te oogsten. 
Het houden van bijen in buisvormige bijen woningen is overgewaaid naar Afrika en later naar Azië en Europa.  Van Aristoteles en Vergilius weten we dat de Grieken en Romeinen buiskorven  hadden met wel tot 26 raten. Een kleine rekensom leert ons dus dat deze bijenbehuizingen wat korter waren dan de Egyptische. Daartegenover staat dat de doorsnede zo'n 7 cm groter was. Er werd drie maal per jaar geoogst. De eerste maal gebeurde dat in mei. Dan werd vier vijfde deel van de voorjaarsdracht uitgesneden.  In juli ontnam men de bijen negen tiende deel van de dan aanwezige tijmhoning. Tenslotte werd in oktober twee derde deel van de honing afgenomen, die afkomstig was van heide, klimop en tamarisk. Het resterende derde deel mochten de bijen houden als wintervoer.
In onze streken werden nooit buisvormige bijenwoningen gebruikt. Het alternatief was de strokorf. Wanneer die is uitgevonden is niet precies bekend. Duidelijk is dat het gebruik van korven in 1300 geen zeldzaamheid meer was.
Omstreeks 1850 komt in Amerika Langstroth tot de ontdekking dat bijen alles dichtkitten wat dicht bij elkaar is. Wat verder van elkaar af ligt wordt volgebouwd met raat. Maar alles wat op een afstand ligt van ongeveer  7 mm laten ze ongemoeid. Dit lijkt een onbelangrijke ontdekking, maar het tegen gestelde is waar. Het wordt nu mogelijk de bijen raat te laten bouwen in raampjes die, omdat ze op de goede afstand van elkaar hangen, ongemoeid worden gelaten: je kunt ze daardoor los van elkaar uit de kast nemen. Het wordt mogelijk bijen gaan houden in kasten in plaats van in korven. In tegenstelling met de vaste bouw is er nu een bijenkast, waarbij alle onderdelen uit elkaar genomen kunnen worden. Dit heet: losse bouw. Ook de raten zijn dus uitneembaar (tot genoegen van de bijen??). Als er geen rekening wordt gehouden met de bijenruimte bouwen de bijen weer alles vast.
Om bijenraat uitneembaar te maken wordt gebruik gemaakt van houten ramen, waarin de bijen hun raten bouwen. De maat van de ramen moet nauwkeurig passen bij de maten van de kast. Dit steekt bijzonder nauw. 
Een andere grote uitvinding wordt gedaan in 1857 door de Duitse timmerman Mehring. Hem komt de eer toe de eerste kunstraat gemaakt te hebben. Die kunstraat heeft niets te maken met 'kunst' in de betekenis van 'onecht'. Het is een plaat zuivere bijenwas waarin de indrukken van cellen aanwezig zijn. Onze zuiderburen noemen ze heel beeldend ‘waswafels'. Waswafels hebben enkele voordelen. Zo maken ze hergebruik van was mogelijk. Ook kan de imker ze netjes midden in een houten raampje monteren, waarna de bijen ze keurig gaan uitbouwen. De celindrukken geven de bijen aanleiding tot het maken van vooral 'fijn werk'. Tegenwoordig is het normaal bijen te houden in kasten. Uit een aantal typen is de z.g. spaarkast algemeen aanvaard. Sommigen gebruiken een ander formaat (dadant en langstroth). Bij een complete spaarkast worden een aantal losse onderdelen gebruikt, zodat de grootte kan worden aangepast aan de grootte van een volk. Een complete spaarkast is samengesteld uit bodem, broedkamer(s), honingkamer(s), dekplank en deksel, soms nog aangevuld met een moerrooster en voerbak.
De bodem is voorzien van gaas, waaronder een uitneembare lade. Daardoor kunnen verscheidene zaken worden gecontroleerd, bijv. de gezondheidstoestand en de voedselvoorraad. Soms kan via het gaas worden geventileerd. Het gaas is het z.g. keldergaas nr. 7 in een RVS-kwaliteit.
Een broedkamer is gevuld met een tiental broedramen. Het is de plaats waar de bijen leven. Meestal worden er twee broedkamers toegepast, omdat één enkel exemplaar niet genoeg ruimte geeft voor alle eitjes die een goede moer legt. Bovendien moeten er lege cellen beschikbaar zijn voor het maken vab honing.Een honingkamer dient als bergplaats voor honing. Hij is er alleen aanwezig als er dracht is, met name als er meer honing wordt gemaakt dan de bijen kunnen opeten. De hoogte ervan is ongeveer de helft van een broedkamer.  Het deksel en de dekplank sluiten de bijenwoning aan de bovenzijde af. De dekplank is meestal voorzien van een opening, waarop een voerbak geplaatst kan worden. Het deksel heeft een zo brede rand dat bepaalde typen voerbakken er zonder meer onder passen. Het dak is vlak, waardoor het als tafel kan dienen voor het imkergereedschap gedurende het controleren van een buurvolk.
Het moerrooster is zo gemaakt dat werkbijen kunnen passeren, maar de grotere moer (en ook de darren) niet. Daardoor kan een gedeelte van de woning worden gereserveerd voor het opslaan van honing. Immers: als de moer geen toegang heeft kan in de honingkamer geen broed ontstaan. Het gebruik van een moerrooster is facultatief.
Bijen gebruiken raat voor velerlei doeleinden. Allereerst als meubilair in de bijenkast. Ze zitten erop, lopen erop, rusten erop. Daarnaast is het de bergplaats van het voedsel. Honing kan, geborgen in raat, jarenlang houdbaar blijven. Stuifmeel kan daar worden opgeslagen waar dat het meest doelmatig is. Tenslotte heeft het ook de functie van wieg en kinderkamer. Eitjes worden er op afgezet, larfjes liggen veilig en worden er gevoed, poppen komen op een beschutte plaats tot ontwikkeling. Je kunt op de raat vier soorten cellen onderscheiden, t.w. fijn werk, grof werk, overgangscellen en hechtcellen. Soms vind je op enkele ramen loopgaten. Daar hebben de bijen de middenwand weggeknaagd om een snelle verbinding met de andere kant van het raam te krijgen. Sommige imkers wensen geen darrencellen op hun ramen en geven de bijen daarom gelegenheid op aparte ramen darrencellen op te trekken. Als er larfjes op de raat voorkomen veroorzaakt dat een zekere vervuiling. De larven vervellen enkele malen tijdens hun ontwikkeling. Ook ontlasten ze zich een keertje. Zodra een cel vrij komt en de bij is uitgelopen wordt de zaak schoongemaakt en met propolis opgepoetst. Je kunt dat zelf goed constateren: gepoetste cellen blinken je tegemoet. De moer controleert de reinheid van de cel, voordat ze er een eitje afzet. Maar toch verkleint zich telkens de inhoud van een cel, zodat op den duur kleinere bijtjes geboren gaan worden.  Bepaalde bijenziekten worden onverantwoord bevorderd door het gebruik van oude raat. Al met al dus een aantal goede redenen om raten van tijd tot tijd te vernieuwen. Als regel stelt men dat raat driejaren mee gaat. De beste beoordelingsmaatstaf is de kleur: zwarte raat moet weg. Criterium is het kunnen waarnemen van een bewegende hand, die zich bevindt tussen de raat en een lichtbron (zon).  Bijen hebben een natuurlijk vermogen tot het produceren van was. Wie hier niet van profiteert is op een onnatuurlijke wijze met zijn bijen bezig. Het zal hem geen economisch voordeel brengen. Integendeel zal er een aanwezig arbeidspotentieel verloren gaan. Het blijkt erg verstandig bijen regelmatig te laten bouwen. Dat geeft gezonde bijen, die langer leven. Dit laatste vertaalt zich in een grotere honingopbrengst. In een spaarkast worden drie soorten ramen gebruikt, wel met dezelfde breedte, maar met verschillende hoogte Alle ramen zijn 36 cm breed. Broedramen zijn 218 mm hoog. Honingramen meten 14 cm hoogte. Combiramen zijn ongeveer zo hoog als een broedraam en een honingraam samen. Ze worden echter hoogst zelden meer toegepast, want ze zijn zwaar en daarom moeizaam te hanteren. Bovendien hebben ze de neiging scheluw te trekken. Alle ramen hebben bovenlatten die "oren" genoemd worden. Ze zijn 37,5 mm lang. 
De ramen moeten rekening houdend met de bijenafstand op vast afstand van elkaar opgehangen zijn. Meestal gebruikt men daarvoor "afstandsrepen". Daardoor ontstaat een dubbele bijenafstand, waardoor de bijen op de raten elkaar ongehinderd ruggelings kunnen passeren. Andere manieren om dat te bereiken zijn hoffmannspatiëring en de wat verouderde afstandsblikjes afstandsblikjes.
Op alle andere plaatsen voldoet een enkele bijenafstand, ook tussen de verschillende bakken die op elkaar gestapeld zijn.
Nu bestaan er systemen waarbij de bijenruimte zich boven de bovenlatten bevindt. Maar er zijn ook kasten waarbij de bijenruimte zich onder de onderlatten bevindt. Beide systemen zijn niet door elkaar te gebruiken!  Je moet daar goed op letten bij de aanschaf van bijenkasten
 
Voedsel
Bijen verzamelen:
     - nectar
     - stuifmeel
     - water
     - propolis.
 
Nectar
Sommige planten hebben insecten nodig om een goede en doelmatige bestuiving te realiseren. Zij maken hun bloemen daarom aantrekkelijk door vorm, kleur, geur en het aanbieden van nectar en/of stuifmeel. Nectar is plantensap met een verhoogd suikergehalte. Het is daarom geschikt als insectenvoedsel. Niet alle bloemen geven een zelfde kwaliteit nectar en evenmin doen ze het de gehele dag. Ook de vorm van de bloem, het weer en de bodemgesteldheid zijn van belang voor de nectarafgifte. 
Bijen verzamelen nectar en maken er honing van. Gemiddeld is het suikergehalte van nectar 20%. Bij honing ligt dat rond 80%. Bijen zijn dus veel bezig met het verwijderen van water uit nectar. Bovendien worden er enzymen toegevoegd die de samenstelling van de honing bepalen.
Als honing rijp is wordt het opgeslagen boven het broednest en vervolgens verzegeld. Dit betekent dat er wasdekseltjes op worden aangebracht. Het wasdekseltje verhindert dat water kan toetreden. Meestal laten de bijen een dun laagje lucht tussen honing en wasdeksel, zodat de verzegelde honingraat er mooi wit uitziet. Deze voorraad is bedoeld voor gebruik in slechte (winter)tijden. Bijen slaan de honing op aan de bovenzijde van het nest, boven het broed. Bij onze bijenkasten wordt daarvoor meestal en aparte (honing)kamer gebruikt.
 
Stuifmeel
Honing bestaat voornamelijk uit suikers. Het kan dus in het bijenlichaam worden gebruikt als brandstof (spierarbeid). Als lichaamsbouwstof zijn eiwitten nodig. Die komen vooral uit stuifmeel (pollen). Pollen worden verzameld in de haren van de bij. Via de achterpoten komt het in de korfjes terecht. En beetje nectar en wat speeksel doen dienst als plakmiddel.
Stuifmeel wordt door de haalster zelf opgeslagen in cellen rond het broednest. De breedte van de stuifmeelrand is een goede indicatie voor de drachtomstandigheden. Een stuifmeellading weegt gemiddeld
8 mg. Daarvan zijn 10% toegevoegde stoffen. Het bijtje heeft daarvoor ongeveer 200 bloemen moeten bezoeken. Op een normale vliegdag worden zo’n 50.000 vluchten uitgevoerd. Het is dus nodig dat een bijenvolk leeft in een gebied waar voldoende mogelijkheden aanwezig zijn.
Gedurende de opslag van het stuifmeel zorgt het enzym amylase (diastase) voor een fermenteringsproces. Er ontstaat dan bijenbrood, dat een hoge voedigswaarde heeft en ligt verteerbaar is. (Vgl. zuurkool, kuilgras). Omdat goed en veel stuifmeel van het grootste belang is voor een gezond bijenvolk zorgen imkers vaak voor wat stuifmeel gevende planten, vooral in het voor- en najaar en op tijdstippen dat niet veel leveranciers van stuifmeel aanwezig zijn.
 
Water
Water is vooral belangrijk als er niet voldoende dracht is. De opgeslagen honingvoorraad wordt dan door de bijen aangesproken Maar deze kan niet zonder meer door de bijen worden opgenomen. Ze moet eerst wat worden verdund. Er moet dus water worden aangevoerd. Vooral in het vroege voorjaar kost dat veel bijenlevens. De waterhaalsters vliegen wel uit, maar keren niet terug, omdat ze onderweg verstijven van kou. Een goede imker zorgt dan ook voor een drinkplaats voor zijn bijen. Vaak wordt dat een bijenkroeg genoemd. Een goede bijenkroeg moet schoon en niet te koud water leveren. Water wordt niet door de bijen opgeslagen, maar door de waterhaalster bewaard.
Water speelt ook een belangrijke rol bij het reguleren van de temperatuur in de bijenwoning.
 
Propolis
Propolis wordt door de bijen verzameld op de knoppen van bomen als populier, berk en beuk. De kleverige massa wordt zoals stuifmeel in de korfjes vervoerd. Het is vaak zo taai dat andere bijen moeten helpen de kleverige massa van de achterpoten van de haalster te verwijderen.  Propolis wordt gebruikt om raten te verstevigen en het nest waterdicht te maken. Het wordt op daarvoor geschikte plaatsen opgeslagen. Soms wordt de vliegopening er mee verkleind. Propolis heeft een bacterieremmende werking.